01 april - 31 oktober
ma -
di 13.00 - 17.00
woe 13.00 - 17.00
do 13.00 - 17.00
vr 13.00 - 17.00
za 13.00 - 17.00
zo 13.00 - 17.00
01 november - 31 maart
ma -
di 13.00 - 16.00
woe 13.00 - 16.00
do 13.00 - 16.00
vr 13.00 - 16.00
za 13.00 - 16.00
zo 13.00 - 16.00
+32 15 29 76 57 - groepen@mechelen.be
De Sint-Alexius-en-Catharinakerk, zoals de officiële benaming van deze Begijnhofkerk luidt, steekt haar vrouwelijke charme niet onder stoelen of banken.
De begijnengemeenschap in Mechelen werd gevormd in de 13de eeuw. In de loop van de 16de eeuw zocht de gemeenschap de veiligheid van de stadsmuren op en vestigden zij zich op het huidige terrein. De zeventiende-eeuwse Begijnhofkerk heeft een schitterende barokke voorgevel, gebaseerd op Italiaans model. Omdat de Mechelse begijnen in die tijd vrij kapitaalkrachtig waren, konden ze voor de bouw en decoratie van de kerk terugvallen op architecten, beeldhouwers en schilders met enige allure. De plannen worden getekend door de jezuïet Pieter Huyssens, maar de uitvoering ligt in handen van Brusselaar Jacques Francart, hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella. De binnendecoratie werd mee verzorgd door de jonge Mechelaar Lucas Faydherbe.
De Begijnhofkerk bezit een van de rijkst aangeklede barokke interieurs wat sprekend is voor de prestige van het begijnhof. Zo zijn er heel wat 17de-eeuwse schilderijen te bewonderen van bekende Zuid-Nederlandse schilders zoals Jan Cossiers, Theodor Boeyermans en Gaspar de Crayer.
De Sint-Alexius-en-Catharinakerk wordt samen met de andere 7 historische kerken in Mechelen ontsloten door Torens aan de Dijle vzw in samenwerking met de stad Mechelen.
Het Mariabeeldje is gesneden uit hout van de eik waarin ooit het mirakelbeeld van Scherpenheuvel stond. Maker: Antoon Faydherbe. In 1604 kregen Mechelse houtsnijders het exclusieve privilege, maar stukjes eik waren al verspreid en tot beeldjes verwerkt, sommige zelf mirakelbeelden. Zo groeide de cultus. Het beeldje staat in een eikenboom, met biddende genezen mensen en de bedevaartkerk van Scherpenheuvel op de achtergrond.
De beeldhouwer Hieronymus Duquesnoy (1602-1654), bewonderd door Rubens en succesvol in Italië, geldt als de grootste naam van de kerk. Zijn meesterwerk Christus aan het kruis (kopie aanwezig, origineel in de kerkschat) is uit hout en ivoor vervaardigd. De verticaal geheven armen zijn geen teken van jansenisme, maar een technische noodzaak door het gebruik van één stuk ivoor.
In de 13e eeuw ontstond het Mechelse begijnhof. Begijnen legden tijdelijke geloften af en leefden samen in afzondering. Rijkere vrouwen bewoonden eigen huizen, armere conventen. Rond 1650, na voltooiing van hun kerk, bestelden ze schilderijen bij Zuid-Nederlandse kunstenaars, vaak in de stijl van Rubens en Van Dyck. De collectie van circa vijftig 17e-eeuwse werken bleef vrijwel volledig bewaard.
In de Begijnhofkerk rust in een reliekschrijn Jacobus Damianus, aartsbisschop van Antiochië. Rond hem ontstond een bijzondere verering. Zijn verhaal is verbonden met Ursula, Britse koningsdochter die enkel wilde trouwen na bekering van haar verloofde en een pelgrimstocht naar Rome. Op de terugweg werden Ursula en haar maagden bij Keulen door Hunnen gevangen, gemarteld en met pijlen gedood. Damianus noteerde hun namen en werd zelf omgebracht.